Telecombedrijf Odido gaat geen losgeld betalen aan de
hackers die deze maand miljoenen klantgegevens hebben gestolen bij het bedrijf.
De hackersgroep ShinyHunters heeft daarom een deel van de privacygevoelige
gegevens van klanten gepubliceerd op het darkweb, een moeilijk toegankelijk
deel van internet.
Hoeveel gegevens er precies zijn gepubliceerd, is nog niet
bekend. Eerder dreigden de criminelen om 1 miljoen regels aan data
(mailadressen, telefoonnummers) per dag te publiceren zolang Odido niet
betaalt.
De criminelen hadden Odido een deadline opgelegd die
vanmiddag verstrijkt. Ze eisen een onbekend bedrag om publicatie van de
gestolen gegevens te voorkomen. Odido gaat daar dus niet op in.
6 miljoen accounts
Volgens de telecomprovider zijn de persoonsgegevens van ruim
6 miljoen accounts buitgemaakt. Het gaat onder meer om namen, woon- en
emailadressen, telefoonnummers, geboortedata en nummers van bankrekeningen en
identiteitsbewijzen.
Gisteren werd duidelijk dat de criminelen ook gevoelige
informatie over het contact met klanten van Odido hebben buitgemaakt. Ze
stuurden een deel van de gestolen data
naar de NOS als bewijs.Daaruit blijkt dat naast de genoemde gegevens ook
aantekeningen zijn gestolen uit het klantcontactsysteem van Odido. Daarin staat
bijvoorbeeld of klanten hun betaalafspraken nakomen, een bewindvoerder hebben
of zich hebben misdragen. Odido wist naar eigen zeggen niet dat die extra
informatie ook in handen was van de criminelen.
Ook andere bedrijven getroffen
De cyberaanval is uitgevoerd door hackersgroep Shinyhunters,
die eerder ook grote hoeveelheden data heeft gestolen bij
concertkaartjesverkoper Ticketmaster en bij pornosite Pornhub.
De politie raadt gehackte bedrijven altijd af om losgeld te
betalen. "Wanneer zij worden betaald blijft hun verdienmodel tenslotte
levend", zegt Stan Duijf, bij de politie verantwoordelijk voor de aanpak
van cybercriminaliteit. "Daarnaast weet je nooit of je data veilig zijn
als je betaalt. Criminelen kunnen de gegevens alsnog doorverkopen of opnieuw om
geld vragen."
Bron: ANP